1. Inleiding

Wanneer we de polen van een spanningsbron met elkaar verbinden ontstaat er kortsluiting. Dit betekent dat er veel stroom gaat lopen. We gebruiken een weerstand om de hoeveelheid stroom te beperken. Het symbool van een weerstand is:

Spanning, stroom en weerstand zijn als volgt aan elkaar gerelateerd:

R = V/I

V is de spanning over de weerstand [eenheid: volt, of V]; I is stroom door de weerstand [eenheid: ampere, of A]; R is de weerstand [eenheid: ohm, of Ω].

Voorbeeld: Stel voor dat we een weerstand van 1000Ω (of 1kΩ) verbinden met een batterij van 9V. In dat geval is de stroom door de weerstand (en door de batterij natuurlijk!): I = V/R = 9V / 1000Ω = 9mA (milli-ampere).

We kunnen geen weerstanden van iedere willekeurige waarde kopen. We moeten kiezen uit een reeks, bv de E12-reeks. De E12-reeks heeft de volgende waarden: 10, 12, 15, 18, 22, 27, 33, 39, 47, 56, 68, 82. Als we andere waarden nodig hebben, zullen we die moeten kiezen uit andere (duurdere) reeksen, of ze zelf maken door meerdere weerstanden in serie of parallel te zetten.