2. Spanningsterugkoppeling

Stel dat we onze 'Les 7'-voeding gebruiken om een apparaat te voeden dat een lamp aan- en uitschakelt. Dit apparaat werkt alleen correct bij een voedingsspanning tussen de 4.75 en 5.25V. Wanneer de lamp uit is, trekt het apparaat 5mA. Wanneer de lamp aan is, loopt de stroom op tot 1A. We verbinden het apparaat met de voeding door middel van draden die een totale weerstand van 1Ω hebben. We stellen de uitgangsspanning met P2 in op 5V. Na enige tijd schakelt het apparaat de lamp aan. De spanningsval over de draden is nu 1V; er blijft dus maar 4V over voor het apparaat. Dit is onvoldoende om het apparaat te laten werken en de lamp gaat weer uit. Het apparaat ontvangt nu weer 5V en de lamp gaat weer aan. De spanning daalt weer naar 4V en de lamp gaat weer uit, enzovoort, enzovoort...

Dit valt op te lossen met hele dikke draden of met spanningsterugkoppeling. Wanneer het apparaat permanent met de voeding wordt verbonden, is de eerste optie waarschijnlijk de beste, vooral als de draden kort zijn. Maar in dit hoofdstuk willen we een labvoeding bouwen. Wellicht is in bovenstaand schema R14 al opgevallen. Dit is een stroommeetweerstand van 0.5Ω die we later in dit hoodstuk zullen bespreken. Dit betekent dat zelfs als we dikke draden gebruiken, de uitgangsspanning toch altijd met minstens 0.5V per ampere zal dalen.

In het schema zijn FB+ en FBGND de terugkoppelpinnen. R19 en R16 delen de uitgangsspanning door 2 en R13 koppelt de spanning terug naar de niet-inverterende ingang van opamp U2. De inverterende ingang van U2 is verbonden met P2 via R17. U3 is een goedkope 15V spanningstabilisator. Om diens uitgangsspanning zo stabiel mogelijk te houden, wordt het gevoed via een aparte trafowikkeling (of een aparte transformator), bruggelijkrichter (G1) en afvlakelco (C3). Dus Vp=0.5∙VOUT en Vn ligt tussen 0 en 15V. Les 9 leerde ons dat als Vp > Vn, U2's uitgangsspanning 15V is. T5 zal in verzadiging traden en de basisspanning van de stuurdarlington T3/T6 is 0V. De belasting aan de uitgangsklemmen zal C2 ontladen totdat Vp < Vn. Op dat moment wordt U2's uitgang 0V, T5 opent, en er gaat een stroom lopen door R4 en de bases van T3 en T6. Deze stroom zal de darlington verzadigen. Een grote stroom zal C2 laden en de belasting voeden. Dit zal doorgaan totdat Vp > Vn. En dat begint alles weer van voren af aan. Opnieuw zien we dat opamp U2 probeert Vp gelijk te maken aan Vn, net als bij een opamp-versterker. En eigenlijk wordt U2 ook als versterker gebruikt: it versterkt de spanning op P2 (=Vn) 2 keer (omdat R19 en R16 de spanning door 2 delen). Aangezien Vn tussen de 0 en 15V kan liggen, ligt VOUT tussen de 0 en 30V.

Zonder R21 en R22 zouden we de voeding pas aan mogen zetten als FB+ en FBGND beide waren aangesloten! Als FB+ en FBGND niet zouden zijn aangesloten, zou U2 kunnen denken dat de uitgangsspanning te laag is, waardoor er een spanning van 40V of meer op de uitgang zou verschijnen!

Wanneer T5 geleidt, kan er nog 30V over C2 staan. Aangezien de basisspanning van T3 oV is, zal er een spanning van -30V staan tussen de basis van T3 en de emitter van T6. T6 kan echter geen spanningen lager dan -7V aan. Voor T3 moet VBE hoger zijn dan -60V. R5 en R20 verdelen de -30V zodanig dat T6 het overleeft.